Het
Zwartboek van het Communisme over "Che Guevara: de keerzijde
van een mythe."
Fidel Castro refereerde voortdurend aan de Franse revolutie:
het jakobijnse Parijs had zijn Saint-Just gehad, Havana van de guerrillastrijders had zijn
Che Guevara,
de Latijns-Amerikaanse versie van Netsjajev.
Che Guevara, zoon van een gegoede familie, geboren
in 1928 in Buenos Aires, doorkruist op zeer jonge leeftijd het Amerikaanse
subcontinent. Deze jonge bourgeois, verzwakt door een chronische
astma, volbrengt zijn studie geneeskunde na een rondreis op de brommer
door de pampa en de jungle van Midden-Amerika. Aan het begin van
de jaren vijftig komt hij in Guatemala in aanraking met de armoede
ten tijde van het progressieve bewind van Jacobo
Arbenz, dat omvergeworpen is door de Amerikanen
- Guevara leert de Verenigde Staten te
haten. 'Door mijn ideologische vorming hoor ik bij degenen die geloven
dat de oplossing van de problemen in deze wereld te vinden is achter
wat het IJzeren Gordijn genoemd wordt,' schrijft hij in 1957 aan
een vriend (brief aan René Ramos Latour,
geciteerd in: Jeannine Verdès-Leroux,
op. cit.)
Op een nacht in 1955 ontmoet hij in Mexico een jonge verbannen Cubaanse
advocaat, Fidel Castro. Guevara
besluit de Cubanen te volgen, die in december 1956 op het eiland
landen. In het verzet wordt hij benoemd tot commandant van een 'colonne'
en hij valt al snel op door zijn hardheid. Een jochie, guerrillastrijder
in zijn colonne, die wat voedsel heeft gestolen, wordt onmiddellijk
gefusilleerd, zonder enige vorm van proces. Deze 'voorstander van
het autoritair optreden met hart en ziel'
- in de woorden van zijn voormalige compagnon uit Bolivia, Régis Debray (Loués
soient nos seigneurs,
Gallimard, 1996, p. 184) – die al
een communistische revolutie wil opleggen, stuit op een aantal oorspronkelijk
democratisch gezinde Cubaanse commandanten.
In de herfst 1958 opent hij een tweede front in de vlakte van Las Villas, in het midden van het eiland. Hij behaalt een opzienbarende
overwinning door in Santa Clara een trein met versterkingstroepen die Batista heeft gezonden, aan te vallen. De militairen gaan
de strijd niet aan en slaan op de vlucht. Als de overwinning eenmaal
binnen is, vervult Guevara de taak van
'officier van justitie' en hij neemt beslissingen over de gratieverzoeken.
Hoe het ook zij, de Cabaña-gevangenis is het toneel van talrijke executies, met name van vroegere wapenbroeders die de democratie zijn
toegedaan.
Guevara wordt benoemd tot minister van Industrie en directeur van de centrale bank.
Hij vindt in deze functies de gelegenheid zijn politieke doctrine
toe te passen en legt hierbij aan Cuba het 'Sovjetmodel' op. Hij
heeft minachting voor geld, maar leeft in de particuliere wijken
van Havana. Als minister van Economie ontbeert hij de meest elementaire
begrippen van de economie, en hij ruïneert uiteindelijk de centrale
bank. Hij is meer op zijn gemak bij het instellen van 'vrijwillige
werkzondagen', een uitvloeisel van zijn bewondering voor de Sovjet-Unie
en China - hij eerde de Culturele Revolutie. Régis Debray (op. cit., p. 185) merkt op: 'Hij
is het, en niet Fidel, die in 1960 op
het schiereiland Guanaha het eerste "correctieve
werkkamp" heeft uitgevonden (wij zouden eerder spreken van
dwangarbeid)...'
In zijn testament prijst deze adept van de Terreur-school
'de doeltreffende haat die van de mens een efficiënte, gewelddadige,
selectieve en koude moordmachine maakt' (Régis
Debray, op. cit.,
p. 186). 'Ik kan geen vriend zijn met iemand als deze mijn ideeën
niet deelt,' bekent deze fanaticus, die zijn zoon Vladimir
doopt, als eerbetoon aan Lenin. Dogmatisch,
koud en onverdraagzaam is 'Che'
(Argentijnse uitdrukking), volledig in tegenspraak met de open en
hartelijke inborst van de Cubanen. In Cuba is hij een van de voorstanders
van de rekrutering van de jeugd, die wordt opgeofferd voor de cultus
van de nieuwe mens.
Met de wens de revolutie in Cubaanse versie te exporteren, verblind door een
vluchtig antiamerikanisme, maakt hij zich op om de guerrillastrijd
over de hele wereld te propageren, volgens de slogan:
'Maak twee, drie... talloze Vietnams!'
(mei 1967). In 1963 is hij in Algerije, vervolgens in Dar es Salaam,
alvorens zich naar Kongo te bewegen, waar hij het pad kruist van
een zekere Désiré Kabila,
een marxist die op dit moment leider is van Zaïre, die er niet voor
terugschrikt de burgerbevolking uit te moorden.
Castro gebruikt hem voor tactische doeleinden. Als eenmaal de breuk voltrokken is,
gaat Guevara naar Bolivia. Hij probeert
de guerrillatheorie van de foco
(haard) toe te passen, terwijl hij de politiek van de Boliviaanse
communistische partij verwerpt. Hij krijgt echter geen enkele steun
van de kant van de boeren, en niemand volgt hem in het rondtrekkende
verzet. Geïsoleerd en in het nauw gedreven wordt Guevara
op 8 oktober 1967 gevangengenomen en de volgende dag geëxecuteerd.
Bron: Latijns-Amerika:
proeftuin van verschillende vormen van communisme - Pascal Fontaine,
in Courtois, Stéphane
(e.a.) - Zwartboek van het Communisme – Misdaden, terreur, onderdrukking
(Le Livre
noire du communisme: Crimes, terreur, repression),
Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam, Antwerpen, 1997, blz. 862-863.
|